Wanneer we spreken over een laag zelfbeeld weet iedereen wel wat we er mee bedoelen. Maar als we echt vanuit de literatuur gaan kijken is het begrip helemaal nog niet zo gemakkelijk. In dit artikel wordt uitgegaan van de beschrijving van Rosenberg (1965). Het zelfbeeld bestaat volgens Rosenberg uit drie componenten, namelijk: de kennis die je van jezelf hebt, de mening die je daaraan geeft en de waarde die je daaraan hecht in het geheel. Mensen met een laag zelfbeeld hebben vaak een negatieve mening over iets van zichzelf waar ze waarde aan hechten.

Aan de Universiteit van Melbourne is Elizabeth Hughes met haar team bezig om te onderzoeken vanaf welke leeftijd een laag zelfbeeld kan ontstaan. Uit het onderzoek ‘Body Image Dissatisfaction and the Adrenachal Transition, komt naar voren dat dit al op de leeftijd van acht jaar kan. Ook geeft ze in dit onderzoek aan dat kinderen vanaf een jaar of acht een verandering van hormonen krijgen waardoor de kans op een laag zelfbeeld toeneemt.

Dit wil echter niet zeggen dat kinderen jonger dan deze leeftijd niet op een negatieve manier over zichzelf kunnen denken. Alleen stelt Rosenberg dat voor een laag zelfbeeld een kind ook moet beschikken over zelfkennis. In het artikel ‘waarom peuters heel sterk zijn en puber tobben’, geeft Heleen Peverelli aan dat rond het achtste jaar een verandering optreed in de ontwikkeling van het zelfbeeld. Zes-zeven jarigen beschrijven zichzelf vooral nog in fysieke en gedragskenmerken. Rond het achtste jaar voegen kinderen er ook psychologische kenmerken aan toe. Ze beseffen rond deze leeftijd dat ze een sociaal wezen zijn. Hoe ver een kind al is, hangt niet alleen af van zijn cognitieve ontwikkeling, maar ook van de band met zijn verzorgers. Een veilig gehecht kind, met liefdevolle, stimulerende ouders, ontwikkelt zich in zelfkennis sneller dan onveilig gehechte kinderen.

Veerman et al. (2004) geven aan dat er verschillende domeinen zijn waarop kinderen en jongeren zichzelf beoordelen en waar ze waarde aan geven zoals: gevoel van eigenwaarde, eigen gedrag, schoolse vaardigheden, sociale acceptatie, sportieve vaardigheden en fysieke verschijning. Een kind kan zich op het ene domein wel zeker voelen en op het andere domein niet. Naast deze verschillende domeinen uit een laag zelfbeeld zich op verschillende manieren. Het kan bijvoorbeeld tot uiting komen in onzekerheid, verlegenheid, beïnvloedbaar zijn door leeftijdsgenoten of het moeilijker aangeven van grenzen. Mensen kunnen bang zijn om fouten te maken, teruggetrokken gedrag laten zien of juist snel boos reageren. Het kan zijn dat een kind of een jongere hierdoor niet meer naar school of naar een sportvereniging durft omdat hij bijvoorbeeld bang is om afgewezen te worden.

De oorzaak

Welke factoren een laag zelfbeeld veroorzaken valt niet makkelijk te benoemen. Volgens De Neef (2013) is er nooit één oorzaak aan te wijzen. Het gaat om een combinatie van verschillende factoren die het zelfbeeld op een negatieve manier kunnen beïnvloeden. Als er wordt gekeken vanuit het bio-psycho-sociaal model kunnen meerdere factoren een negatieve bijdrage leveren aan de vorming van een laag zelfbeeld zoals in de afbeelding te zien is.

Aan de oorzaken is vaak niet meer zo veel te veranderen. Wat wel aan te pakken is, zijn de factoren die het lage zelfbeeld op dit moment in stand houden. Wanneer er een oorzakelijke factor op dit moment actief is in het leven van het kind of de jongere, kan deze factor ook aangepakt worden. Hierbij is te denken aan pesten of verwaarlozing.

In stand houdende factoren

Volgens De Neef (2013) zijn er twee mechanismen die het lage zelfbeeld in stand houden, namelijk: een oneerlijke informatieverwerking en vermijdings- en veiligheidsgedrag. Onder een oneerlijke informatieverwerking wordt verstaan dat kinderen en jongeren vaak het negatieve wel zien maar het positieve niet. Kinderen en jongeren met een laag zelfbeeld zien de wereld namelijk door een gekleurde bril waardoor er een vervorming in het beeld is. Daarnaast is er een tweede mechanisme dat het lage zelfbeeld in stand houdt, namelijk dat er vermijdings- en veiligheidsgedrag optreedt. De kinderen en jongeren doen geen corrigerende ervaringen op en hun gedragsrepertoire blijft beperkt. Het lage zelfbeeld wordt door deze twee mechanismen telkens weer bevestigd. Vaak is dit een kortetermijnoplossing met op lange termijn nadelige gevolgen. Veelal worden deze copingreacties automatisch ingezet waardoor het kind of de jongere geen controle over zijn gedachte, gevoelens en gedrag heeft. Het verkrijgen van controle en bewustzijn lijk hier dan ook een belangrijk onderdeel.

Maatschappelijke relevantie van een laag zelfbeeld

Een laag zelfbeeld is een veel voorkomende hulpvraag binnen de jeugdzorg, maar wordt niet gediagnosticeerd als losstaande psychiatrische stoornis. Wel lijkt een laag zelfbeeld bij verschillende psychopathologieën een etiologische rol te spelen en komt veelvuldig voor als symptoom bij verschillende stoornissen zoals depressie, suïcidaliteit, eetstoornissen, ontwikkelingsstoornissen, angststoornissen, agressie en middelengebruik. Daarnaast is het ervaren van een laag zelfbeeld een risicofactor voor terugval, automutilatie en suïcide. Ook komt een laag zelfbeeld vaak voor bij kinderen en jongeren die slecht presteren op school.

Gevolgen van een laag zelfbeeld

Een laag zelfbeeld kan op jonge maar ook op latere leeftijd veel problemen met zich meebrengen, waaronder problemen op school of werk en problemen in de sociale context. Kinderen en jongeren met een laag zelfbeeld worden bijvoorbeeld minder geaccepteerd door hun leeftijdsgenoten. Volgens het Nederlands Jeugdinstituut (2019) kan een laag zelfbeeld de ontwikkeling van depressieve symptomen veroorzaken, zoals somberheid, verlies van plezier en gevoelens van wanhoop. Maar het kan ook leiden tot eenzaamheid, piekeren, angsten, eetproblemen, somatische klachten, middelenmisbruik of agressie. Ook worden er verbanden gevonden tussen sociale angst bij kinderen en jongeren en een laag zelfbeeld. Uit een onderzoek van McGee en Williams in 2000 blijkt dat in de late kindertijd en preadolescentie de hoogte van de zelfwaardering de mate voorspelt van eetproblemen, suïcidale gedachten en meerdere gezondheid belemmerende factoren. Ook is er een verhoogd risico op terugval bij bijvoorbeeld depressie en kan het tot suïcide leiden.

Er zijn in Nederland geen cijfers bekend van kinderen en jongeren met een laag zelfbeeld.